Toen ik de oude man die in het Vondelpark stond enige meters gepasseerd was, riep hij me na: ‘Hé, kom eens hier.’

Ik draaide me om en liep naar hem toe.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘O nee, ik bedoel u niet,’ antwoordde hij. ‘Ik bedoel m’n hondje. Die kleine zwarte daar.’

Hij wees en ik keek.

‘Leuk hondje,’ zei ik beleefd.

‘Vindt u?’ vroeg hij mat. ‘Ik vind er niks aan. Maar misschien komt het nog. Ik heb ‘m pas.’

Hij was een kleine, schonkige man met een doorlijnd gezicht en hij keek me, door een zware bril, aan met ogen van een dof soort grijs.

‘Waarom hebt u dat hondje dan?’ vroeg ik, want dat leek me ter zake.

‘Eigenlijk op doktersadvies,’ antwoordde hij. ‘Het klinkt gek, maar het zit zo. Ik heb een nieuwe dokter. Die ouwe is er namelijk mee gestopt. Hij durfde ’s nachts niet meer in te slapen, uit vrees dat de telefoon zou gaan. Ook erg, hè? Hij heeft ten slotte de boel maar overgedaan aan een jongeman. Nou ben ik van natuur niet iemand die naar dokters loopt. Je bent patiënt voor je het weet. En de meeste dingen gaan vanzelf over. Kapot moet je uiteindelijk tóch. Maar ik had wel erge last van m’n rug gekregen. Ik kon niet meer bukken om m’n schoenen aan te doen. En dat zalfje hielp niet. Ik had ’t niet van m’n dokter maar van m’n hospita. Bij die vrouw heb ik een kamer en ze geeft me te eten. Meer niet. Ik